Sport & Vet - APK-Q Jobs Cycling Team vzw

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu

Sport & Vet

Tips

Sport en vet

Voor zover onze herinnering teruggaat geldt de regel dat wie aan uithoudingssport doet veel koolhydraten moet nemen en relatief weinig vet. Maar er zijn in het verleden, vooral dan met betrekking tot voeding, al zoveel “waarheden” gedebiteerd waarbij achteraf bleek dat het misschien toch niet helemaal klopte, dat het om halve waarheden ging, zelfs om onwaarheden…

De wetenschappelijke voedingsspecialiste, Dr. Alexandra Schek, betwijfelt openbaar dat het mijden van vet wel zo’n goede zaak is. In het gerenommeerde Duitse magazine “Leistungssport” verwijst zij naar diverse medische onderzoeken waaruit blijkt hoe belangrijk vet wel is als energiebron bij sportief bewegen. Zij stelt dat het gestockeerde triglyceride binnen de spieren niet alleen een belangrijk energiepotentieel is voor het zogeheten aërobe metabolisme bij matige duurinspanningen, maar dat ook bij intensievere inspanningen dit zogeheten “spiervet” in aanzienlijke mate de cel van energie voorziet. Wanneer deze reserves aan triglyceriden uitgeput zijn kunnen zij tijdens de belasting niet worden aangevuld. Daarom is het, steeds volgens Dr. Schek, ook na de inspanning noodzakelijk om voldoende vet op te nemen om de vetreserves opnieuw aan te vullen; dat is volgens haar minstens zo belangrijk als dat het geval is met koolhydraten. Het komt er dus niet alleen op aan voldoende glycogeen te stockeren maar daarnaast moeten ook voldoende reserves aan triglyceriden worden aangelegd. Zijn de vetreserves binnen de betrokken spiergroepen uitgeput dan gaan er minstens een tweetal dagen over om deze weer op niveau te brengen.

Wie na een wedstrijd of zware training vooral focust op het nemen van koolhydraten zou dus verkeerd bezig zijn. Dr. Schek gaat niet langer akkoord met de klassieke regel dat een duursporter maximum 30% aan calorieën opneemt via voedingsvetten. Voor haar mag dat gaan van 35 tot 40% – maar let op: door het hoger soortgelijk gewicht van vetten komt dat er doorgaans op neer dat het vetaandeel qua gewicht 18 tot 20% van het totale gewicht van de maaltijd zal bedragen (en dus geen 35 tot 40%). En natuurlijk hecht zij ook inzake vetten – net zoals bij alle andere voedingselementen – belang aan de kwaliteit; zij propageert onverzadigde, plantaardige vetten (olijfolie, noten) en een zeer beperkt gebruik van dierlijk vet.

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu